Tagarchief: fysiotherapeut

Symposium Aspecifieke lage rugpijn

Op zondag 4 november 2018 organiseert MSP Opleidingen het éénmalige symposium over Aspecifieke lage rugpijn.

  • basic en premium leden kunnen met korting naar dit symposium
  • vraag hier de kortingscode aan

Bij Aspecifieke lage rugpijn is er geen duidelijk aanwijsbare oorzaak voor de rugklachten te vinden is. Enerzijds komt dit door het niet kunnen diagnosticeren van de mogelijke anatomische oorzaak, anderzijds doordat er daadwerkelijk geen afwijking aanwezig is. Bij ongeveer 90 procent van alle patiënten met lage rugpijn, wordt er geen specifieke oorzaak geconstateerd.

In dit symposium benaderen we de aspecifieke lage rugpijn vanuit 4 verschillende disciplines:

  • Triggerpointtherapie
  • Manuele therapie
  • Psychosomatische therapie
  • Oosterse Geneeskunde.

Het symposium staat onder leiding van José Hermans, docent psychologie en coördinator internationaal onderwijs HvA.

Praktische gegevens

Core stability

Inleiding

In de jaren 90 stelde Hodges (1) dat de m. transversus abdominis altijd aanspande voordat er daadwerkelijk een beweging gemaakt werd in het lichaam. Dit noemde hij het feedforward mechanisme. Hij stelde dat deze spier daardoor een belangrijk onderdeel vormde in de stabilisatie van de wervelkolom. Mede door deze theorie is er steeds meer aandacht gekomen voor het belang van stabiliteit en bewegingscontrole van het bewegingssysteem. Zo zijn de cirkels van O’Sullivan een model, dat bedacht is voor het trainen en verbeteren van de stabiliteit (2). Sinds de jaren 90 heeft de aandacht voor stabiliteit van de romp een enorme vlucht genomen. Tegenwoordig doet bijna iedereen aan “core stability” binnen de verschillende trainingen. De vraag rijst echter wat is “core stability”? De gebruikte bewoording, “core stability”, wordt binnen de wetenschappelijke literatuur nauwelijks gebruikt, het is dan ook meer een populaire benaming. Gangbaarder is te spreken over stabiliteit training. De term stabiliteit training kan ook breder ingezet worden aangezien er ook stabiliteit van bijvoorbeeld het enkel gewricht getraind kan worden. In dit artikel wordt stil gestaan bij wat stabiliteit en stabiliteit training is en hoe je dit op een juiste wijze kan uitvoeren.

Evidentie

Binnen de fysiotherapie wordt stabiliteit training veel gebruikt bij aspecifieke lage rugklachten. Er is daardoor veel onderzoek gedaan naar de resultaten van stabiliteit training bij aspecifieke lage rugklachten. De resultaten zijn wisselend van aard en stabiliteit training is niet per definitie beter dan andere interventies (3). Zo is er matig bewijs dat specifieke stabiliteit training gelijkwaardig is aan andere oefentherapeutische interventies (3). Vanuit een randomized control trial over dit onderwerp wordt dan ook de conclusie getrokken dat de keuze van het soort oefentherapeutische interventie moet afhangen van de voorkeuren van de patiënt (4). Deze conclusie wordt ondersteund vanuit een recente Cochrane review (3).Het gebruik van stabiliteit training binnen de sport ter preventie van blessures wordt eveneens meer en meer onderzocht. De kwaliteit van deze onderzoeken lijkt echter achter te blijven. Op basis van twee recente reviews, waarvan één zich richt op preventie bovenste extremiteit en de andere kijkt naar lage rugklachten bij atleten, concluderen beide dat er onvoldoende kwantitatieve en kwalitatieve artikelen te vinden zijn (5,6). Tot op heden lijkt er dan ook onvoldoende wetenschappelijk bewijs te zijn voor stabiliteit training ter preventie van sportblessures. Meer kwalitatief onderzoek in die richting is nodig om conclusies te kunnen trekken (5,6).

Stabiliteit

Om te begrijpen hoe stabiliteit training op een juiste wijze kan worden uitgevoerd, is het belangrijk het begrip stabiliteit binnen het menselijk lichaam helder te omschrijven. Hiervoor gebruiken we de theorie van Panjabi (7). Panjabi stelt dat de stabiliteit in een gewricht uit 3 pijlers bestaat: een passief systeem, een actief systeem en een controle systeem (figuur 1).

Figuur 1: Stabiliteitstheorie Panjabi 

Het passieve systeem, kijkend naar de wervelkolom, bestaat uit de wervels en de ligamenten tussen de wervels. Deze structuren kunnen niet direct veranderd worden en leveren een zekere mate van stevigheid aan de wervelkolom. Het actieve systeem bestaat uit de spiergroepen rondom de wervels. De spiergroepen worden soms onderverdeeld in locals en globals. De locals (figuur 2) zijn de spiergroepen die hun origo en insertie van wervel naar wervel hebben lopen. Denk hierbij aan de m. intertransversarii en de m. interspinales. De locals zorgen ervoor dat elke wervel ten opzichte van elkaar op de juiste positie blijft. Hiervoor zijn ze altijd aan het werk, meestal in een isometrische aanspanning.

Figuur 2: Locals spieren

De globals zijn de grote spieren eromheen. Insertie en origo van deze globals slaan vaak meerdere wervels over. Denk hierbij aan de m. erector spinae die bestaat uit de m. longissimus, m. iliocostalis en de m. spinalis. Hierdoor zijn de globals uitermate geschikte om de grote bewegingen in het lichaam te maken. De globals zijn ook vele malen sterker dan de locals.Het controle systeem is het zenuwstelsel. Dit systeem krijgt en verwerkt constant informatie via het passieve en actieve systeem. Na verwerking stuurt het weer informatie terug zodat de stabiliteit in stand gehouden wordt. Dit is een continu proces waardoor bij een juist werkend systeem de stabiliteit in de gewrichten bewaard blijft.

Drie systemen

Uitgaande van bovenstaande theorie met betrekking tot stabiliteit kan het worden toegepast bij stabiliteit training. Voordat er gestart wordt met stabiliteit training is het belangrijk om te bepalen welk van de drie systemen binnen stabiliteit getraind gaat worden. Hiervoor is het, meestal, eerst nodig te bepalen welk van de drie systemen achterligt op de andere systemen. Het passieve systeem is niet direct te trainen door stabiliteit training; het kan wel een rol spelen bij verminderde stabiliteit. Denk hierbij aan een inversietrauma van de enkel waarbij ligamenten beschadigd raken. Bij dit trauma raakt het passieve systeem beschadigd waardoor er een verstoring optreedt in de stabiliteit van de enkel. Het lichaam moet deze verminderde passieve stabiliteit in eerste instantie opvangen door de andere twee systemen meer te gebruiken. Bedenk daarbij dat het actieve systeem niet ineens sterker kan worden: het duurt enige tijd voordat de spieren daadwerkelijk sterker kunnen worden8. Hierdoor blijft alleen het controle systeem over om direct een andere invloed uit te oefenen als reactie op het beschadigde passieve systeem. Het actieve systeem is, zoals hierboven al vermeld, niet in eens sterker te maken. Wel kan het zijn dat het actieve systeem tekort komt als gekeken wordt naar de stabiliteit. Voorbeelden van een verminderd actief systeem zijn moeilijker te geven. Uiteraard is een spier- of peesruptuur een oorzaak van een verminderd actief systeem, echter het actieve systeem kan ook zonder trauma minder optimaal functioneren. Er kan sprake van compensatie strategieën in het lichaam waardoor bepaalde spiergroepen onderbelast (waardoor ze zwakker worden), en andere overbelast ( waardoor ze sterker worden) worden. Oorzaken van het plaatsvinden van een compensatie strategie in het lichaam zijn talrijk en vaak niet precies te achterhalen. We streven ernaar de compensatie strategie op te heffen zodat het lichaam weer zijn eigen beweging strategie kan oppakken.Het vaststellen of spiergroepen te “zwak” of te “sterk zijn, levert diverse vragen op. Deze vragen zouden beantwoord moeten worden om te bepalen welk systeem getraind moet worden tijdens de stabiliteit training. Kunnen spieren te “zwak” of te “sterk” zijn? En zo ja, hoe test je dan of een bepaalde spiergroep te “zwak” of te “sterk” is? Is het daadwerkelijk de spier (of het actieve systeem) dat niet goed functioneert of spelen er andere systemen een rol? Krijgt de spier bijvoorbeeld niet het juiste signaal vanuit het controle systeem? Of is er in het passieve systeem iets mis waardoor het actieve systeem overcompenseert? Zoals we zien speelt het controle systeem een rol bij het beantwoorden van de diverse vragen. Het controle systeem is hervormbaar waardoor het, naar mening van de auteur, het meest complexe systeem is. Dit systeem past zich continu aan en bepaalt wat betreft de stabiliteit onder andere met hoeveel kracht het actieve systeem aanspant om de stabiliteit te behouden. Doordat het controle systeem bepaalt met welke mate het actieve systeem aanspant, is het soms moeilijk om vast te stellen of een spier te “zwak” of te “sterk” is. Wie zegt immers dat bij het testen de spier daadwerkelijk niet meer kracht kan leveren of dat het controle systeem onvoldoende signaal doorstuurt dat de spier moet aanspannen?

Cirkels O’Sullivan

Bovenstaande vragen laten zien dat het niet gemakkelijk is om te bepalen welk systeem getraind moet worden. Uitgaande van de cirkels van O’Sullivan (2) begint de stabiliteit training in de binnenste cirkel. Hier zou je eerst een spier solistisch moeten leren aanspannen. In de meeste gevallen wordt hier de m. transversus abdominus benoemd. Naar mening van de auteur is dit echter niet mogelijk. Als een spier aanspant, zal deze proberen te verkorten en zijn origo en insertie dichter bij elkaar brengen. Wanneer een spier dus solistisch aanspant zou er een beweging moeten volgen (eventuele agonisten van de desbetreffende spier niet meegenomen). Echter, bij de binnenste cirkel van O’Sullivan is het de bedoeling dat er geen beweging plaatsvindt, maar enkel een verharding optreedt die voelbaar is bij de bekkenranden. Als de verharding (en dus de aanspanning) van de spier voelbaar is en er geen beweging plaatsvindt, moet er dus een contra aanspanning (antagonist) plaatsvinden om te voorkomen dat er beweging plaatsvindt. Een gemakkelijk voelbaar voorbeeld bij jezelf is het aanspannen van je biceps met je elleboog in 90 graden. Daarbij zal je voelen dat ook de achterkant van je bovenarm, de triceps, aan het werk is om te voorkomen dat de verkorting van de biceps een beweging teweeg brengt in je elleboog.

Toepassing

Bovenstaande zou je bewust moeten maken dat stabiliteit training niet alleen bestaat uit het uitvoeren van oefeningen, zoals een bruggetje of plank, en dat het meer omvat dan het trainen van kracht van de rompspieren. Een bruggetje kán een goede oefening zijn om stabiliteit te trainen. Echter, de uitvoering moet dan wel goed zijn en moet de persoon die de oefening uitvoert vooral bewust voelen wat er gebeurt. Tijdens de uitvoering van een oefening ziet de auteur het liefst dat de persoon die de oefening uitvoert zelf, of de behandelaar, kan aangeven welke spiergroepen actief zijn. Voor een behandelaar is het daarom van belang precies te weten en te begrijpen welke spiergroepen actief zijn tijdens de verschillende oefeningen, welke spierende kracht leveren, welke spieren een kleine bijdrage leveren en welke spieren juist ontspannen zouden moeten zijn. Bij het uitvoeren van een “bruggetje” bijvoorbeeld zijn het vooral de gluteaal spieren (om precies te zijn alle heup extensoren) die de kracht leveren om omhoog te komen. Bij het vervolgens in een rechte positie houden van de rug, zullen de extensoren van de rug actief moeten zijn, omdat de zwaartekracht de rug immers naar flexie trekt. Voelt iemand echter bij het uitvoeren van het bruggetje vooral veel kracht in zijn rug, dan wordt de beweging niet correct uitgevoerd.  Je kunt je dan afvragen of de betreffende persoon onvoldoende kracht heeft in zijn gluteaal musculatuur. Maar ook of het controle systeem wellicht te weinig input geeft naar de gluteaal regio en teveel naar de extensoren van de rug. In een dergelijke situatie is het van belang (en soms moeilijk) om de betreffende persoon de juiste aanwijzingen te geven om de kracht van de extensoren te verminderen en die van de gluteaal regio te vergroten. De benodigde aanwijzingen zullen wisselen per persoon en per oefening. Visuele feedback en manuele sturing kunnen daarbij ook een zeer sterke ondersteuning zijn voor veel personen. Wees dus niet bang om iemand aan te raken om ze te helpen bij de oefening. Als je van te voren uitlegt dat je probeert te helpen met door middel van manuele sturing dan staat iedereen hier voor open.

Voorbeeld oefening uitgewerkt

Het maken van een bruggetje start in ruglig met de knieën 90graden gebogen en de voeten op de grond. Van hieruit wordt eerst het bekken achterover gekanteld (de lage rug wordt tegen de grond geduwd). Hierbij vlak je de wervelkolom af. Deze afgevlakte wervelkolom wil je behouden gedurende de hele oefening. De volgende stap is het omhoog bewegen van de heupen waardoor er een vlakke lijn gevormd wordt van je schouders naar je knieën. Hierbij wordt de kracht uit de gluteaal musculatuur gehaald. Bij een juiste uitvoering van de beweging, vindt er een schuine verplaatsing plaats van de heupen. Dit komt doordat de heupgewrichten zich in een geflecteerde positie bevinden en de knieën op een vaste positie blijven tijdens de beweging. Wanneer de kracht bij het omhoog komen meer uit de rug wordt gehaald, zal de kanteling van het bekken eruit getrokken worden waardoor de vlakke rug verloren gaat. Wanneer dit gebeurt, zullen veel personen (en zeker degene met rugklachten) de rug duidelijk gaan voelen. Vaak werkt het om dan opnieuw te beginnen met de oefening en na de bekken kanteling heel bewust vanuit de heupen te laten opstrekken. Geef daarbij ook manueel de richting aan en laat ze voelen waar ze de kracht vandaan moeten halen. Zodra het bruggetje op de juiste wijze is ingenomen, zou de spierspanning voor het grootste gedeelte waarneembaar moeten zijn in de heup extensoren. Voor de uitvoerende persoon voelt het dan aan alsof de bil en de achterkant van het bovenbeen het hardst aan het werk zijn. Bij het weer neerleggen van de billen op de grond is het nog steeds belangrijk om het bekken gekanteld te houden. De bekkenkanteling wordt dan ook pas los gelaten als de billen weer op de grond liggen.

Figuur 3: Bruggetje

Tenslotte

Voor stabiliteit training zijn vele varianten van oefeningen en vele manieren van uitvoeren van deze oefeningen. Naast oefeningen lijkt in de praktijk het gebruik van kinesiotape / medical tape een functie te hebben binnen stabiliteit training. De auteur gebruikt kinesiotape / medical tape om de juiste voorwaarden te scheppen om effectief en efficiënte stabiliteit training te kunnen uitvoeren.
Het is belangrijk dat een persoon merkt wat er gebeurt tijdens de oefeningen. Dat er aandacht is voor wat de persoon voelt tijdens de oefening en of dit ook overeenkomt met wat verwacht is. Vanuit die basis kan doorgebouwd worden naar complexere oefeningen waarbij de persoon zelf merkt wanneer bepaalde spanning, belasting of beweging niet juist is en deze daarop kan corrigeren. Mijn ervaring is dat pas bij de complexere oefeningen het actieve systeem een belemmerende rol kan gaan spelen.

Over de auteur

Elwin den Dulk is sportmasseur, fysiotherapeut en manueel therapeut in opleiding. Hij is werkzaam bij SMC Rijnland en in het bijzonder gespecialiseerd in lage rug en bekkenbodem gerelateerde aandoeningen. Hij heeft in de sport schaatsers en schaatsteams begeleid, waaronder het KNSB Gewest ZH Langebaan Jun A en Neo senioren en Healthy Team.

Dit artikel is mede tot stand gekomen door KT Tape Benelux. KT Tape PRO is een unieke en innovatieve elastische sporttape die ondersteunt en pijnlijk of beschadigd weefsel herstelt. Wat PRO unieke maakt zijn de synthetische microvezels die geen vocht vasthouden en veel meer ondersteuning geeft dan elastische katoenen tapes.

© Masseurs Netwerk Nederland 2017. www.masseursnetwerk.nl
Alle rechten voorbehouden. Overname van het artikel op individuele websites en social media sites is niet toegestaan. Masseurs Netwerk Nederland nodigt u uit een directe link naar het artikel op uw website op te nemen en de link naar het artikel te delen op social media.

Literatuurlijst

1. Hodges PW, Richardson CA. Inefficient muscular stabilization of the lumbar spine associated with low back pain. A motor control evaluation of transversus abdominis. Spine (Phila Pa 1976). UNITED STATES; 1996 Nov;21(22):2640–50.

2. O’Sullivan PB. Lumbar segmental “instability”: clinical presentation and specific stabilizing exercise management. Man Ther. 2000;5(1):2–12.

3. Saragiotto B, Maher C, Yamato T, Costa L, Menezes Costa L, Ostelo R, et al. Motor control exercise for chronic non-specific low-back pain (Review). 2016;(1).

4. Costa LOP, Maher CG, Latimer J, Hodges PW, Herbert RD, Refshauge KM, et al. Motor Control Exercise for Chronic Low Back Pain : A Randomized. Phys Ther [Internet]. 2009;89(12):1275–86. Available from: http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/19892856

5. Stuber KJ, Bruno P, Sajko S, Hayden JA. Core Stability Exercises for Low Back Pain in Athletes: A Systematic Review of the Literature. Clin J Sport Med. 2014;24:448–56.

6. Silfies SP, Ebaugh D, Pontillo M, Butowicz CM. Critical review of the impact of core stability on upper extremity athletic injury and performance. Brazilian J Phys Ther. 2015;19(5):360–8.

7. Panjabi MM. The Stabilizing System of the Spine. Part I. Function, Dysfunction, Adaptation, and Enhancement. J Spinal Disord [Internet]. 1992;5(4):383–9. Available from: http://content.wkhealth.com/linkback/openurl?sid=WKPTLP:landingpage&an=00002517-199212000-000018. Morree J. Dynamiek van het menselijk bindweefsel Functie, beschadiging en herstel. 5th ed. Houten: Bohn Stafleu van Loghum; 2008. 287 p.

Bronvermelding

figuur 1: http://www.jeffcubos.com

figuur 2: http://www.kinproexerciserehab.ca

figuur 3: Trainerz.be

Krachttraining bij ouderen

 

Eerder verscheen het eerste deel van een tweeluik waarin specifieke aandachtspunten werden beschreven voor krachttraining bij kwetsbare groepen. Dit onderwerp is voor de sport(zorg)masseur van belang, omdat hij of zij een belangrijke rol kan spelen bij bijvoorbeeld het herstel van blessures, het uitvoeren van herstelprogramma’s en het verbeteren van belastbaarheid bij sporters. Zeker bij kwetsbare groepen is dit een verantwoordelijkheid die vraagt om specifieke kennis. Waar in het eerste deel van dit tweeluik de aandachtspunten voor krachttraining bij jeugd zijn besproken, spitst dit tweede deel zich toe op een andere kwetsbare groep, namelijk ouderen.

Inleiding

Ouder worden gaat gepaard met een achteruitgang van het neuromusculaire en cardiovasculaire systeem. Spierkracht en -massa worden minder en daarmee wordt ook de capaciteit om algemene dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren kleiner (Borde et al., 2015; Cadore et al., 2014). Daarnaast leidt verminderde spierkracht ook tot minder mobiliteit en een grotere kans op vallen. Hoe minder actief iemand is, des te eerder deze leeftijd gerelateerde veranderingen zullen optreden (Mayer et al., 2011). Krachttraining blijkt deze achteruitgang echter te kunnen tegengaan of verminderen.
Het aantal ouderen groeit de komende jaren sterk, dus het thema krachttraining voor deze kwetsbare groep is zeer relevant. Daarom is het van belang om te weten welke adviezen je in dat opzicht kunt geven aan ouderen. Dit artikel beschrijft de voordelen en de risico’s van krachttraining bij ouderen en geven we richtlijnen om ouderen op een veilige manier aan krachttraining te kunnen laten doen.

Voordelen en risico’s

Regelmatige krachttraining heeft voor ouderen vele voordelen. Zo heeft het bijvoorbeeld een positief effect op risicofactoren voor aandoeningen die gepaard gaan met ouder worden, zoals cardiovasculaire aandoeningen, kanker en osteoporose. Ook gaat krachttraining spierafbraak tegen. Het leidt tot meer spierkracht en een grotere mobiliteit. Hierdoor blijven ouderen langer zelfredzaam, zelfstandig en minder kwetsbaar.

Risico’s zijn er natuurlijk ook. Ouderen, en in het bijzonder wat meer fragiele ouderen, hebben maar een beperkte neuromusculaire capaciteit. Dit maakt dat ze maar beperkt belastbaar zijn en dat een zorgvuldige opbouw van een trainingsprogramma, rekening houdend met deze beperkte capaciteit, dus van groot belang is. Daarnaast hebben ouderen door hun verminderde spierkracht een groter risico op vallen. Veiligheid is bij het uitvoeren van krachttrainingsprogramma’s dus een belangrijk aandachtspunt.

Kracht versus massa

De toename van spierkracht als gevolg van een krachttrainingsprogramma komt in eerste instantie door neurale aanpassingen, ofwel betere samenwerking van vezels binnen een spier en van spieren onderling. Later vindt ook een toename in spiermassa plaats (Mayer et al., 2011). Ook Borde et al. (2015) geven aan dat het waarschijnlijk is dat een toename in spierkracht primair komt door neurale aanpassingen, meer dan door spiergroei. Dit verklaart dat zij een grotere groei in kracht zien dan in omvang.

Richtlijnen voor training

Dat krachttraining leidt tot een toename in spierkracht is helder. De richtlijnen voor krachttraining bij ouderen die volgens de diverse onderzoeken kunnen worden aangehouden zijn als volgt.

Type oefeningen

Programma’s die verschillende typen oefeningen omvatten, gericht op zowel balans, kracht als flexibiliteit, blijken effectiever te zijn bij het controleren van de houding bij ouderen dan geïsoleerde krachtoefeningen. Het lijkt dus zinvol om een gevarieerd programma met al deze componenten samen te stellen.

Volume en intensiteit

Trainen op een hoge intensiteit leidt tot de grootste toename in spierkracht. De beste resultaten hierin worden bereikt bij trainen op 60 tot 85% van de 1RM (dit is het maximale gewicht waarmee een specifieke oefening eenmaal technisch goed uitgevoerd kan worden). Hierbij dient natuurlijk rekening gehouden te worden met de capaciteit van de deelnemer. Bij meer fragiele ouderen kun je starten op 20% van de 1RM en dit geleidelijk opbouwen naar 80%. Drie sets van 8 tot 10 herhalingen laten goede resultaten zien.

Vermindering in spiervermogen (vermogen = kracht x snelheid) lijkt een voorspeller te zijn van functionele beperkingen (bijvoorbeeld bij traplopen of tuinieren). Om zo mobiel en zelfredzaam mogelijk te blijven, lijkt het dus zinvol om vooral te trainen voor een maximale toename in spiervermogen. Dit kan bereikt worden door te trainen op een iets minder hoge intensiteit, ongeveer 40 tot 50% van de 1RM. Op die manier kan getraind worden met een hogere contractiesnelheid en daarmee ontstaat een grotere functionaliteit. Deze explosieve training leidt ook tot minimaal dezelfde hypertrofie (toename in spiermassa) als traditionele krachttraining (Cadore et al., 2014).

Rustintervallen

Wat betreft rustintervallen kan onderscheid gemaakt worden in intervallen tussen sets en tussen herhalingen. De optimale rust moet steeds gezien worden in relatie tot het te bereiken doel. Zo lijkt een rustperiode tussen sets van 3 tot 5 minuten geschikt voor een toename in maximale kracht, terwijl kortere rust (30 tot 60 seconden) passender is als spieruithoudingsvermogen het doel is.
Wat betreft rust tussen herhalingen lijkt 4 seconden het meest effectief te zijn, hoewel deze gegevens slechts gebaseerd zijn op één studie. Hier kunnen praktische afwegingen echter ook een rol spelen. Langere rustintervallen maken dat de training langer duurt en de trainingstijd minder efficiënt gebruikt wordt. Aan de andere kant kan dit juist weer voordelig zijn, omdat ouderen hierdoor beter hun houding kunnen vasthouden tijdens een oefening. Dit verkleint weer de kans op vallen.

Trainingsfrequentie

Om een krachttoename en een toename in spiermassa te bewerkstelligen, moet bij voorkeur twee tot drie keer per week getraind te worden. Voor een optimaal resultaat moet dit wel gebeuren over een langere periode. Borde et al. (2015) laten de beste resultaten zien bij een periode van 50 tot 53 weken.

Conclusie

Voor ouderen is krachttraining een prima manier om met ouder worden gepaard gaande veranderingen tegen te gaan of te verminderen. Het vermindert het risico op diverse aandoeningen en het vergroot de mobiliteit en zelfredzaamheid.
Het is onmogelijk om één alomvattend advies te geven, omdat dit altijd afhankelijk is van het doel. Het lijkt wel altijd zinvol te zijn om een compleet programma te bieden, waarin zowel balans, kracht als flexibiliteit getraind worden. Een dergelijk programma moet minimaal tweemaal per week uitgevoerd worden gedurende een langere periode. De intensiteit mag vrij hoog zijn (tot 80% 1RM) met voldoende rust tussen sets en herhalingen, zodat het risico op vallen geminimaliseerd wordt. Het allerbelangrijkste hierbij is dat bij de keuzes die worden gemaakt rekening wordt gehouden met de capaciteit van de deelnemer.

Over de auteur

Erik den Hartog is als bewegingswetenschapper afgestudeerd aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij schrijft o.a. voor Masseurs Netwerk Nederland artikelen.

Dit artikel is mede tot stand gekomen door Fysiowebwinkel, Bodybow Healthcare. Fysiowebwinkel / Bodybow Healthcare levert diverse oefen – en trainingsmaterialen voor de fysiotherapeut, sportmasseur, fitnesstrainer en personal trainer, maar ook voor de individuele sporter.

© Masseurs Netwerk Nederland 2017. Alle rechten voorbehouden. www.masseursnetwerk.nl
Overname van het artikel op individuele websites en social media sites is niet toegestaan.
U wordt uitgenodigd een directe link naar het artikel op de website www.masseursnetwerk.nl op uw website op te nemen en de link naar het artikel te delen op social media.

Bron afbeelding: netpulseblog

De warming-up

 

Wat is een warming-up?

Wanneer je de definitie warming-up opzoekt in de Dikke van Dalen krijg je de volgende omschrijving:

‘Een warming-up is een lichte inspanning die je uitvoert voor elke sportprestatie. Het heeft als doel je lichaam en geest voor te bereiden op de inspanning die gaat komen. Door een warming-up verbetert de bloeddoorstroming naar de spieren.’
Een mooie omschrijving, maar wat kort door de bocht. Een warming-up doet veel meer dan alleen de bloeddoorstroming verbeteren. Bij een warming-up gaat het om het lichaam in gereed te maken voor de komende inspanning. In dit artikel gebruiken we als omschrijving voor de warming-up: alle handelingen voorafgaand aan de sportactiviteit die als doel hebben de sportprestaties te optimaliseren op verschillende gebieden en de kans op blessures te reduceren.

Het is vrij logisch om te denken dat het bij een warming-up vooral gaat om het realiseren van een verhoogde lichaamstemperatuur (het heet toch niet voor niets ‘opwarmen’). Echter, er zijn er veel meer factoren die van belang zijn en een rol spelen bij een warming-up. Naast de functie van de temperatuurverhoging van het lichaam, heeft een warming- up ook invloed op het zenuwstelsel, de longen en de spieren. Daarnaast is de warming-up ook afhankelijk verschillende factoren zoals: het klimaat, de fysieke capaciteiten van de sporter en de periode tussen de warming-up en de wedstrijd/ training (Bishop D, 2003). Grofweg kun je de voordelen van een warming-up verdelen in temperatuur gerelateerde effecten en niet temperatuur gerelateerde effecten.

Het allereerste onderzoek dat gedaan is naar de warming-up komt uit 1945. Deze studie van Asmussen en Boje heeft het volgende aangetoond: hoe hoger de temperatuur in de spieren, hoe beter de chemische processen in de spieren werken en hoe meer maximale kracht een spier kan leveren. In principe vergelijkbaar met koorts, bijvoorbeeld als je griep hebt. Door de verhoging van de lichaamstemperatuur (koorts) gaan sommige processen (enzymen) van het lichaam sneller werken (Asmussen E, Boje O, 1945).

Temperatuur gerelateerde effecten

Afname van de weerstand van gewrichten en spieren
Als gewrichten gaan bewegen, is er altijd sprake van een bepaalde weerstand tussen de twee gewrichtsuiteinden. Bij beweging in een gewricht treedt er lokaal een temperatuurstijging op. Door de verhoogde temperatuur smeert de synoviale vloeistof (het olielaagje op het kraakbeen) zich beter uit in het gewricht waardoor de wrijvingsweerstand vermindert. Hierdoor kunnen de spieren netto meer vermogen leveren. Een ander effect is, dat de dempfunctie van de gewrichtskraakbenen toeneemt, omdat het kraakbeen vocht opneemt uit het synovia en opzwelt (Wright V, Johns RJ).

Toename zuurstofleverantie aan spieren

De verhoogde temperatuur heeft een gunstige invloed op de afgifte van zuurstof. Dit gebeurt door het stofje hemoglobine. Er wordt gesuggereerd door Barcroft and King dat hemoglobine 2x zo snel zuurstof kan afstaan bij 41 graden Celsius ten opzichte van 36 graden Celsius. Eenzelfde relatie kan gevonden worden voor het stofje myoglobine (deze stof vervoert zuurstof vanaf het celmembraan naar de mitochondriën). Door deze verhoogde zuurstoftoevoer kunnen de mitochondriën meer ATP produceren, wat leidt tot meer energie voor de spieren om contracties te generen en na contractie te ontspannen.
Ook is er bij een temperatuurverhoging spraken van vasodilatatie. Deze verwijding van de bloedvaatjes is een gevolg van de gecreëerde warmte om af te koelen en zorgt ervoor dat er meer bloed naar de spieren kan gaan.

Snelheid oxidatieve reacties

Door een warming-up produceren de spieren warmte en de warmte breidt zich ten behoeve van afkoelingsprocessen ook uit naar de niet actieve delen. De snelheid van het spiermetabolisme en de energieomzetting is afhankelijk van de betrokken enzymen en hun activiteit stijgt evenredig met de temperatuur. Elke 0.5 graden temperatuurstijging geeft een 7% hoger basaalmetabolisme. Hoe hoger de temperatuur in de cellen, hoe sneller de energieomzettingen kunnen plaatsvinden en dus hoe meer ATP er vrij gemaakt kan worden (J.J de Morre, 2011).
Toename anaeroob metabolisme
Wanneer we het hebben over het anaerobe systeem denkt iedereen meteen aan korte afstand en verzuring (lactaat). In tegenstelling tot wat veel mensen denken, is verzuring echter eigenlijk een hulpmiddel voor ons lichaam. Wanneer we een hele heftige inspanning vragen van het lichaam, dat het aerobe systeem niet aan kan, komt het anaerobe systeem in werking. Het anaerobe systeem kan heel snel heel veel ATP vrijmaken. Dit anaerobe systeem is het laatste redmiddel om de prestatie nog vol te kunnen houden. Wanneer de temperatuur omhoog gaat, kan dit anaerobe systeem tot wel 140% ATP leveren in vergelijking met de rust positie.

Toename zenuwgeleiding

Karvonen heeft aangetoond dat door een hogere temperatuur in het lichaam de zenuwgeleiding verbetert. Dit is zeker van belang bij complexe bewegingen, die veel contractie vragen.
Via het ‘normale’ zenuwstelsel (dus niet via een reflexboog) heeft het lichaam 100-150 ms nodig om een aanpassing te doen in het spierstelsel (dus via de afferente zenuwen van het Golgi apparaat/ spierspoeltjes, naar het ruggenmerg, door naar de hersenen en weer terug naar de spieren via de efferente zenuwen). Wanneer de zenuwgeleiding beter is, is er minder tijd nodig om veranderingen te laten plaatsvinden (10 M/s stijging per stijging van 1 graad Celsius).

Niet temperatuur gerelateerde effecten

Metabole effecten

Het transporteren van zuurstof wordt ook beïnvloed door een actieve warming-up. Wanneer spieren contraheren hebben ze meer bloed nodig. Door dit korte, maar belangrijke, zuurstoftekort reageert het lichaam met vasodilatatie waardoor er meer bloed naar de spieren gaat (McComas AJ, 1996).
Post-activatie potentiaal
Post activatie potentiatie kun je zien als het zenuwgeheugen van een beweging. Wanneer je zo hoog mogelijk probeert te springen, moeten alle motor-units tegelijk aanspannen. Als je twee keer achter elkaar springt, zal je de tweede keer waarschijnlijk hoger springen. Waarschijnlijk komt dit door de verhoogde motor-unit acitiviteit, verhoogde gevoeligheid van de bewegingspatronen en verhoogde myosin light chain phosphoralation. Door deze contractie geschiedenis voorafgaand aan een explosieve prestatie te plaatsen, krijg je een grote maximale (explosieve) kracht. Wel moet in de warming-up een ‘look alike’ (lees sport specifieke) oefening zitten, op een zware intensiteit (bijvoorbeeld 3- 5RM squat, om hoger te kunnen springen).

Psychologisch effect

Het psychologisch effect van een warming-up is meerdere malen onderzocht. Hoewel de resultaten van verschillende onderzoeken elkaar tegenspreken, is wel duidelijk dat routine voor een wedstrijd belangrijk is. Ook wordt er gesuggereerd dat mentaal voorbereiden op de te komen inspanning helpt bij het verhogen van de concentratie en de reactietijd tijdens de prestatie.
De relatie tussen visualisatie en prestatie is ook op andere bieden aangetoond. Zo
is er onderzoek gedaan in Noorwegen met ingespalkte polsen. In dit onderzoek moesten 2 groepen 4 weken de polsen nauwelijks bewegen, waarvan 1 groep oefeningen met de pols moest inbeelden (zonder dit echt uit te voeren). Uiteindelijk had de visualisatie groep veel minder kracht verloren dan de niet visualiserende groep. De onderzoekers denken dat door het denken dat je iets doet je de zenuwbanen blijft prikkelen. Wanneer je dit tijdens een warming-up doet, verhoogt dit dus de spiergevoeligheid (Clark BC, Mahato NK. 2014).
Waaraan moet een ideale warming-up voldoen
Hoewel in sommige sporten een warming-up vanzelfsprekend is, wordt erbij andere sporten nog weleens nonchalant over gedaan. Zo zal een 100 meter loper het niet in zijn hoofd halen om zomaar in een startblok te gaan staan en vervolgens een maximale sprint te doen. Echter, een beginnende hardloper slaat dit toch vaak over, of weet niet waar hij/zij mee bezig is. Helaas is het niet zo dat er per sportdiscipline een standaard protocol voor een warming-up is. Wel moet een actieve warming-up minimaal uit 3 onderdelen bestaan: een algemene warming-up, rekoefeningen (indien van toepassing) en sportspecifieke oefeningen.

Uit onderzoek over rekken kunnen we het volgende vaststellen:

  • er is nog weinig bewijs geleverd dat rekken blessures voorkomt;
  • rekken, voorafgaand aan inspanningen met geringe activiteit, zonder explosiviteit, en activiteiten die binnen de grenzen van de bewegingsamplitude van de gewrichten plaatsvinden (bijvoorbeeld trimmen, joggen) zullen geen prestatief trainingseffect hebben;
  • rekken en met name overmatig grensverleggend stretchen, kan op spiercelniveau waarschijnlijk een beschadigend effect veroorzaken;
  • hyper- of hypomobiele beweeglijkheid kan voor veel sporten een negatieve invloed hebben op de specifieke kracht of de technische uitvoering van die sporten;
  • stretching verbetert de doorbloeding in de desbetreffende musculatuur niet; tijdens een stretch zal de doorbloeding in de betrokken musculatuur eerder wat verminderen dan toenemen;
  • overmatig stretchen is niet blessurepreventief en kan zelfs de prestatie negatief beïnvloeden (J.J.de Morre, 2011).

Voor sommige sporten is het noodzakelijk om wel een bepaalde bewegelijkheid te hebben (denk aan roeien en turnen). Het is per sport, per persoon afhankelijk of dit van toepassing is. En dan is het nog de vraag wat wil je verlengen? Wil je het contractiele, fascie, bindweefsel van een spier rekken, een zenuw beter laten glijden of eerder het kapsel rekken waardoor er in het gewricht zelf een vergrote bewegelijkheid is? Veel vragen waar rekening mee moet worden gehouden.

Intensiteit

Het is per sport verschillend hoe ‘zwaar’ je warming-up moet zijn. Voor explosieve sporten geldt dat er rond de 40-60% van de VO2max opgewarmd moet worden. Daarnaast moeten er nog een aantal korte zwaardere oefeningen gedaan worden voor het post activatie potentiatie effect. Hierdoor is het ideaal om de tijd tussen de warming-up en prestatie 5 minuten te laten zijn (in ieder geval niet meer dan 15 minuten).
Bij anaerobe/ aerobe sporten (>30 sec – <30 minuten) wordt de warming-up het liefste gedaan op een submaximale intensiteit (60-70% van de VO2max ). Het is wel verstandig eerst de hartslag licht te verhogen voordat je aan dit deel van de warming-up begint. Ook hier geldt dat er niet teveel tijd tussen de warming-up en de sportprestatie moet zitten, omdat anders de zuurstofconsumptie weer terug loopt naar de rustwaarden.
Bij duursporten is het niet nodig om op een hele zware intensiteit een warming-up te doen. Echter als je tijdens de wedstrijd fel moet starten om een goede positie te bepalen, is het wel verstandig een ‘zwaardere’ warming-up te doen.
Hoewel er veel onderzoek is gedaan naar de optimale voorbereiding is het aan de sporter en coach om de warming-up in te vullen. Dit vanwege de grote individuele verschillen tussen de sporters. Ook persoonlijke ideeën kunnen een grote invloed hebben op de warming-up en daarmee de prestatie (Ajemian, D’Ausilio, Moorman en Bizzi, 2010).

Preventie

Naast de beschreven positieve fysiologische effecten heeft een warming-up ook een preventief doel: het voorkomen van blessures. Zoals iedereen weet zorgt een goede warming-up voor het voorkomen van blessures (Bixler B, Jones RL et al).
Een van de grootste onderzoeken ooit naar preventie met betrekking tot een warming-up in de sport is gedaan door de FIFA. Zo heeft de FIFA in 2005 het preventieprogramma ‘THE FIFA 11’ gemaakt. Echter, na onderzoek bleek dat er geen significant verschil ontstond tussen de interventie groep en de controlegroep (belangrijkste reden: lage interesse en therapietrouw van de deelnemers). Aan de hand van dit onderzoek is een nieuw preventieprogramma ontwikkeld: ‘THE FIFA 11+’.
Het programma bestond uit een warming-up van 15 oefeningen die gericht waren op de drie onderdelen van de warming-up. Door deze structurele warming-up ontstonden minder blessures (35% minder blessures per 1000 speeluren) (Attar WsA, Soomro N, 2015).

Extra toevoegingen aan een warming-up

De eerder genoemde aspecten gingen over een actieve warming-up. Naast de actieve warming-up heb je echter ook de passieve warming-up. De passieve warming-up is het opwarmen van het lichaam door warmte van buitenaf.
Zo zijn er een aantal onderzoeken gedaan naar de zogeheten ‘warmhoudbroek’ bij baanwielrenners. Het doel van deze broek is het warm houden van de spieren tussen het einde van de warming-up en het begin van de race. Omdat de spieren warmer aan de start verschijnen, kunnen de spieren direct bij aanvang van de sportprestatie een hoger piekvermogen leveren, wat noodzakelijk is bij sprintafstanden (Faulkner SH, Ferguson RA, 2012).
Een studie van Faulkner onderzocht of extra warmte tijdens een warming-up door een dergelijke warmhoudbroek ook nog een positief effect kon hebben op de maximale sprint prestatie. Dat bleek echter niet het geval te zijn.

Hoe zit het dan met verzwaarde sport specifieke oefeningen voordat de wedstrijd begint?
Tegenwoordig is het bewezen dat het uitvoeren van explosieve zware oefeningen aan het eind van de warming-up een positieve invloed heeft op het presteren. Zo hebben Amerikaanse wetenschappers ontdekt dat kogelstoters het verst stoten als zij vlak voor de wedstrijd een zwaardere kogel gebruiken dan normaal. Ook zwemmers, voetballers en badmintonners blijken hier baat bij te hebben. Bij teamsporters die meerdere sprints per wedstrijd moeten doen is het nog maar de vraag of dit nut heeft, aangezien het effect maar kortdurend blijkt te zijn (Judge LW, Bellar D, 2013).

Over de auteur

Matthijs Schakel is fysiotherapeut en werkt bij ManualFysion in Amsterdam. Veel van zijn cliënten zijn fanatieke sporters op verschillende niveaus. Daarnaast is hij bezig met zijn master Human Movement Science aan de VU. Ook is hij betrokken bij het verschillende onderzoeken en specialiseert hij zich tevens in het patiënt specifiek trainen middels biofeedback. Hij schrijft o.a. voor Masseurs Netwerk Nederland artikelen.

Dit artikel is mede tot stand gekomen met een bijdrage van STARBALM Sportverzorging. STARBALM producten zijn ontwikkeld in samenspraak met topsporters uit binnen en buitenland. Naast de warmte/koudetherapie producten heeft STARBALM ook massage olie en crème voor sportmasseur, fysiotherapeut en medische staf. De STARBALM massage producten zijn te bestellen via uw sportgroothandel of direct online via Medisan.

© Masseurs Netwerk Nederland 2017. Alle rechten voorbehouden. www.masseursnetwerk.nl
Overname van het artikel op individuele websites en social media sites is niet toegestaan.
U wordt uitgenodigd een directe link naar het artikel op de website www.masseursnetwerk.nl op uw website op te nemen en de link naar het artikel te delen op social media.

Bronnenlijst

Asmussen E, Boje O. Body temperature and capacity for work. Acta Physiol Scand 1945; 10: 1-22
(Al Attar WSA, Soomro N, Pappas E, Sinclair PJ, Sanders RH (2015) How effective are F-MARC injury prevention programs for soccer players? A systematic review and meta-analysis. Sports Medicine, Epub ahead of print. DOI 10.1007/s40279-015-0404, (https://www.slideshare.net/PedMenCoach/fifa-11-warmup-to-prevent-injuries ).

Bishop D (2003) Warm up I Potential mechanisms and the effects of passive warm up on exercise performance. Sports Med., 33: 439-454

Bixler B, Jones RL. High-school football injuries: effects of a post-halftime warm-up and stretching routine. Fam Pract Res J 1992; 12 (2): 131–9

Clarc BC, Mahato NK, Nakazawa M, Law TD, Thomas JS. The power of the mind: the cortex as critical determinant of muscle strength weakness. J Neurophysiol 2014: 15112(12):3219-26

Faulkner SH, Ferguson RA, Gerret N, Hupperets M, Hodder SG, Havenith G (2012) Reducing muscle temperature drop post warm-up improves sprint cycling performance. Med. Sci. Sport. Exerc., DOI: 10.1249

Faulkner SH, Ferguson RA, Hodder SG, Havenith G (2013) External muscle heating during warm-up does not provide added performance benefit above external heating in the recovery period alone. Eur. J. Appl. Physiol

Judge LW, Bellar D, Craig B, Gilreath E, Cappos S, Thrasher A (2013) The influence of post activation potentiation on shot put performance of collegiate throwers. J. Strength Cond. Res., 30: 438-445

J.J. de Morree 2011, Dynamiek van het menselijk bindweefsel, hoofdstuk 5

Karvonen J. Importance of warm up and cool down on exercise performance. In: Karvonen J, Lemon PWR, Iliev I, editors. Medicine and sports training and coaching. Basel: Karger 1992: 190-213

Low D, Harsley P, Shaw M, Peart D (2014). The effect of heavy resistance exercise on repeated sprint performance in youth athletes. J. Sports Sci., (ahead-of-print), 1-7

McComas AJ. Skeletal muscle: form and function. Champaign muscle. J Appl Physiol 1998; 85 (4): 1404-12 (IL): Human Kinetics, 1996: 213

Wright V, Johns RJ. Quantitative and qualitative analysis of performance. In: Karvonen J, Lemon PWR, Iliev I, editors.

Joint stiffness in normal subjects and in patients with connec- Medicine and sports training and coaching. Basel: Karger, tive tissue disease. Ann Rheum Dis 1961; 20: 36-46

Cursus Russische Sportmassage: Pre- en postactiviteitsmassage bij triatleten

Op 15 september 2017 vindt bij MSP Opleidingen in Leiden de 1-malige cursus “Pre- en postactiviteitsmassage bij triatleten” plaats.  Deze cursus is bedoeld voor de professionele sportmasseurs, sportzorgmasseurs, massagetherapeuten, sporttherapeuten en fysiotherapeuten.

Wil jij les krijgen van Oleg Bouimer, de expert op het gebied van Russische Sportmassage? En van hem de fijne kneepjes leren hoe sportmassage toe te passen bij je (top)sporters? En dat alles Science based?

Meld je dan nu aan.

Programma

ochtend

  • Introductie
  • Overzicht wetenschappelijke inzichten sportmassage
  • Demo pre-activiteit sportmassage
  • Oefenen pre-activiteit sportmassage
  • Vragen en antwoorden
  • Afronding ochtendprogramma

middag

  • Overzicht wetenschappelijke inzichten sportmassage
  • Demo post-activiteit sportmassage
  • Oefenen post-activiteit sportmassage
  • Vragen en antwoorden
  • Afronding middagprogramma
  • Evaluatie

Artikel Russische sportmassage

Werken met Dynamic Tape

Inleiding

ryan kendrick

Door zijn werk met (top)sporters zag Ryan Kendrick (fysiotherapeut en ontwikkelaar van de Dynamic Tape) al snel de beperkingen van het werken met (elastische en leuko) tape bij de poging om intrinsieke belasting te reduceren. Echter: “Spierweefsels falen niet door pijn, maar door de opgelegde belasting”, aldus de Australiër. Dat uitgangspunt leidde tot de ontwikkeling van de wereldwijd gebruikte Dynamic Tape. Tijdens een training bij MSP Opleidingen
in Leiden vertelt hij erover en demonstreert hij de toepassing.

Waarom dynamic tape

Hoe kun je ervoor zorgen dat bepaalde spieren en gewrichten ontlast worden, maar dan wel zo dat de beweging die nodig is voor de activiteit nog steeds mogelijk is? Ryan was jarenlang op zoek naar de ultieme methode en het geschikte materiaal. “Sporttape had zijn
beperkingen: het kon de belasting niet voldoende absorberen en er zat onvoldoende rek in. De ontwikkeling van Dynamic Tape steunt voor een groot deel op twee componenten: biomechanica en de eigenschappen van het materiaal.

dt1

Voor het eerste moest ik terug naar de schoolbanken voor een lesje natuurkunde, bij wijze van spreken. Ik verdiepte me in de wisselwerking tussen kracht, snelheid, richting en afstand. Natuurlijk klinkt dat nog erg abstract, maar bij de demonstratie zal het duidelijk worden”, aldus de lange fysiotherapeut die zojuist is overgevlogen vanaf de andere kant van de wereld.

Biomechanisch

“Het verschilt van de neurofysiologische benadering van werken met elastische tapes in die zin dat je daarmee de huid optilt om ruimte te creëren, om zo druk weg te nemen van pijnlijke of gevoelige structuren. Je bevordert dan de circulatie en beïnvloedt de spieractiviteit via de input naar het zenuwstelsel door de huid heen. Dynamic Tape heeft ook een neurofysiologisch effect, maar pas in tweede instantie. De directe uitwerking is echter biomechanisch; het richt zich op het extrinsiek absorberen van de belasting. Op die manier vermindert de weerstand die het lichaam zelf moet afvoeren. Nog te complex?”, vraagt Ryan. “Ik probeer het altijd zo simpel mogelijk uit te leggen, want in feite is het ook eenvoudig.”

Bungeekoord

Het gaat om het zoveel mogelijk terugdringen van de belasting op spieren en gewrichten. Denk aan een bungeekoord: met een steeds toenemende kracht val je naar beneden totdat het koord zijn ‘elastische punt’ bereikt. Op dat moment veer je weer vertraagd de lucht in, maar
in die beweging staat er veel minder kracht op het bungeekoord. Denk nu eens aan iemand die moeite heeft zijn onderarm te buigen over zijn bovenarm. Bevestig de tape dan in gebogen positie vanuit de schouder tot aan de onderarm. Het tapen nog voordat de totale strekking
bereikt is, is vrij uniek. Daarna zal je merken dat bij het strekken van de arm er spanning op je band komt en het vanzelf weer wil buigen. De buiging zal nu echter makkelijker gaan omdat de tape een deel van de belasting al heeft overgenomen.” Eenvoudig gezegd biedt de tape
dus biomechanische ondersteuning voor het lichaam om het werk van geblesseerde weefsels te verminderen, zwakke spieren te ondersteunen of bewegingspatronen te verbeteren. “Hierbij laat het dus nog steeds alle bewegingen toe, zelfs complexe bewegingen zoals die tijdens sport of werk. Ten tweede is het materiaal van belang”, gaat Ryan verder. De kleefband heeft geen
rigide eindpunt en heeft een rek van maar liefst 200 procent in vier richtingen. Ter vergelijking, elastische tape kan maar tot 140 procent verlengen en doet dat in twee richtingen. Net als een bungeekoord absorbeert Dynamic Tape de kracht die er op komt te staan en zet het om in
energie die de tegengestelde beweging mogelijk maakt.”

Step-by-step

Dan is het tijd voor een demonstratie. Verstandig tapen begint met het haarvrij maken van de huid en het schoonmaken en ontsmetten ervan (foto 1). Eventueel wrijf je de huid daarna warm (foto 2) en bespray je deze met pretape spray (foto 3). Doe dit tenminste altijd wanneer je
de tape inzet voor de voeten en de enkels, zodat je de kans op vroegtijdig loslaten reduceert.

dt 1-4

Shin splint

Dynamic Tape is heel goed in te zetten bij het vertragen van de pronatie, want juist de snelheid van rotatie is van belang bij shin splint, de algemene term voor klachten aan het scheenbeen. De techniek wordt gebruikt terwijl de voet zich in de positie van dorsaalflexie of abductie bevindt. In dit voorbeeld wordt de voorvoet gedraaid. Bepaal je anker van ongeveer vijf centimeter. Langer kan ook, want het vermindert de kans op irritatie. Een goed ankerpunt
zorgt ervoor dat je geen getrek en gescheur krijgt op de huid (foto 4). Druk de tape dan een halve tot een minuut goed aan zodat het goed blijft kleven. “Ja, dan ken je iemand pas net, en dan sta je al tegen iemand aan te duwen… dat kan wat ongemakkelijk
zijn”, grapt Ryan. “Geen probleem hoor, zolang je duidelijk aankondigt wat je gaat doen en waarom, hebben cliënten daar geen problemen mee.” In dit geval begin je vanonder de eerste en tweede metatarsaal (het eerste stukje van de tenen). Vervolgens wikkel je de tape bovenlangs om de voet heen (foto 5). Dat doe je door je anker stevig met je duim vast te houden en in tegengestelde richting mee te laten glijden terwijl je de onderste beschermlaag
(alternatief: paperbacking) weghaalt. Zo ontstaan er geen oneffenheden en voorkom je spanning op de huid aan het eind van de bandage.

De band is flexibel dus het gevaar bestaat dat je het teveel uitrekt. Houd in de gaten dat je druk op de tape houdt zolang je een lichte weerstand van de band voelt, en ga niet verder dan
dat. Zodra de tape (of de print) smaller wordt, trek je te hard. Eenmaal onder de voet (foto 6) gaat de tape vanaf de vijfde metatarsaal naar de knobbel van het voetwortelbeentje (tuberculum naviculare). Dat zorgt voor een overdwarse kracht die de hoek van de mediale lijn doet verkorten en de voorvoet inwaarts doet draaien (foto 7). De tape gaat dan diagonaal omhoog langs het voorste talocrurale gewricht om de draaiing en buiging te maximaliseren. Eindig de handeling met een milde bevestiging op je eindpunt (het tweede ankerpunt): wrijf ook hier weer even flink voor een optimale kleefkracht. Door de wijze waarop Dynamic Tape bevestigd is ontstaat er een vertraging en daarmee een ontlasting van de inzakking van de mediale voetboog (foto 8).

dt 5-8

TIP

Bij het werken met de voet en de achilles is een tweede laag tape aanbevolen vanwege de zware belasting die ze moeten verwerken. Wacht 45 tot 60 minuten voor de volgende flinke inspanning, of voordat je in bad of in het zwembad stapt. Werken met shin plints is slechts een
van de vele varianten, de techniek is toepasbaar op een veelvoud aan blessures, zoals de tenniselleboog, de achillespees, patella tendinopathie en fasciitis plantaris.

Bron: Massage Magazine 2016
Dit artikel is tot stand gekomen met medewerking van MSP Opleidingen. MSP Opleidingen geeft in Nederland de officiele cursussen Dynamic taping.